Europa heeft de onderzoekers, het kapitaal, de industrie en steeds meer rekenkracht. De vraag is of we die onderdelen ook kunnen verbinden tot een systeem dat technologische macht oplevert.
Je hoeft geen engineer te zijn om te zien dat er iets vreemds aan de hand is in Europa.
We hebben uitstekende universiteiten, onderzoekers van wereldklasse, industriële giganten, de machines die nodig zijn om de meest geavanceerde chips ter wereld te produceren, enorme hoeveelheden kapitaal, grote energiebedrijven en een interne markt van meer dan 450 miljoen mensen. En toch eindigen we aan het einde van de technologische keten opvallend vaak met een afhankelijkheid van Amerikaanse platforms.
Ik moest daar de afgelopen tijd veel aan denken toen ik me voor AI Wereld en AI World Today verdiepte in
Mistral. Persoonlijk maakt het me eigenlijk niet zoveel uit of Mistral slaagt. Ik heb geen aandelen in het bedrijf, voel geen bijzondere verbondenheid met Mistral omdat het toevallig Frans is en ik denk ook niet dat Europa specifiek Mistral nodig heeft om iets te "winnen".
Maar ik vind het ontzettend interessant om te volgen.
Mistral is namelijk een soort live-experiment voor een veel grotere vraag: kan Europa in deze nieuwe AI-wereld zelf grote bedrijven creëren, koesteren en vooral opschalen?
Want het simpele verhaal dat Europa geen AI kan bouwen, klopt duidelijk niet. Mistral is in een paar jaar uitgegroeid tot de belangrijkste Europese speler op het gebied van frontier-AI. Het bedrijf haalde in 2025 €1,7 miljard op tegen een waardering van €11,7 miljard, bouwt eigen Europese compute-infrastructuur en wil richting 2030 capaciteit ontwikkelen tot ongeveer 1 GW.
Het interessantste detail van die investeringsronde vond ik
ASML.
ASML investeerde €1,3 miljard en werd daarmee de grootste aandeelhouder van Mistral, met een belang van ongeveer 11 procent. Een van de belangrijkste industriële bedrijven van Europa, dat machines bouwt zonder welke de meest geavanceerde chips ter wereld niet gemaakt kunnen worden, bezit nu een aanzienlijk deel van een van de interessantste nieuwe AI-bedrijven van Europa. De twee bedrijven werken bovendien samen om AI toe te passen binnen de producten, het onderzoek en de bedrijfsvoering van ASML.
Dit is het soort verbinding dat ik in Europa veel vaker zou willen zien. Een extreem succesvol Europees industriebedrijf stopt een deel van zijn kapitaal in een nieuwe Europese technologiegeneratie, terwijl die technologie vervolgens weer kan helpen om dat bestaande industriebedrijf beter te maken.
Je begint bijna een vliegwiel te zien. En er bewegen meer onderdelen. Europa heeft inmiddels 19 AI Factories, plant veel grotere AI Gigafactories en opende deze zomer een procedure voor maximaal zeven van zulke faciliteiten. Tegelijkertijd steunen de Europese Investeringsbank en alle 27 EU-landen een nieuwe investeringsalliantie waarmee uiteindelijk tot €80 miljard voor Europese tech-scale-ups moet worden gemobiliseerd.
Hoe langer ik hiernaar kijk, hoe minder overtuigd ik ben dat Europa de ingrediënten mist. Het probleem lijkt vooral te zitten in wat er tussen die ingrediënten gebeurt.
Europa heeft niet echt een startup-probleem
Kijk naar wat er gebeurt wanneer in de Verenigde Staten een bedrijf als OpenAI, Nvidia, Palantir of SpaceX ontstaat. Daaromheen staat een enorm systeem van kapitaalmarkten, institutionele beleggers, cloudproviders, universiteiten, overheidsinstanties, defensiecontracten, venture capital en een gigantische thuismarkt. Daarbij bestaat er volgens mij ook een grotere bereidheid om enorme bedragen te steken in bedrijven die net zo goed spectaculair kunnen mislukken.
Wanneer zo'n bedrijf succes heeft, kan het veel van die onderdelen ongeveer tegelijkertijd aanspreken. Kapitaal betaalt infrastructuur. Overheidscontracten leveren klanten op. Universiteiten leveren talent. Bestaande technologiebedrijven zorgen voor distributie. Diepe publieke kapitaalmarkten geven investeerders en werknemers uiteindelijk een plek waar ze hun belang kunnen verkopen.
Succes creëert zo de voorwaarden voor nieuw succes.
Europa heeft veel van dezelfde onderdelen, maar ze sluiten veel minder betrouwbaar op elkaar aan.
De Europese Investeringsbank maakt de gevolgen daarvan behoorlijk concreet. Europese scale-ups hebben rond hun tiende levensjaar ongeveer 50 procent minder kapitaal opgehaald dan vergelijkbare bedrijven in San Francisco. Bij meer dan vier op de vijf Europese scale-updeals is een buitenlandse partij de lead-investeerder of enige investeerder. Europese venturefondsen halen bovendien maar een fractie op van het venturekapitaal dat in de Verenigde Staten beschikbaar is.
Het patroon dat daaruit ontstaat kennen we inmiddels. Europa leidt mensen op en bouwt interessante bedrijven, maar zodra zo'n bedrijf honderden miljoenen of miljarden nodig heeft om wereldwijd te kunnen concurreren, wordt buitenlands kapitaal steeds belangrijker. Buitenlandse infrastructuur wordt aantrekkelijk of noodzakelijk. Een Amerikaanse overname of beursnotering begint logisch te worden. Een deel van de economische waarde, expertise en het vermogen dat door zo'n bedrijf wordt gecreëerd, gaat vervolgens ergens anders verder renderen.
Daarom vind ik de term scale-up gap zo treffend.
Europa is behoorlijk goed in het opleiden van slimme mensen, het doen van onderzoek en het starten van bedrijven. We zijn zelfs uitzonderlijk goed in het ontwikkelen van zeer gespecialiseerde technologie waarvan de rest van de wereld soms ineens ontdekt dat ze er niet zonder kan.
De problemen worden vooral zichtbaar wanneer iets daadwerkelijk werkt.
Waarom draait het Europese vliegwiel niet?
"Europeanen zijn te risicomijdend" vind ik daarvoor inmiddels een te makkelijke verklaring.
Er zijn structurele oorzaken.
Europa beschikt over enorme hoeveelheden spaargeld, verzekeringskapitaal en pensioengeld, maar opvallend weinig daarvan bereikt venture capital. De EIB schatte onlangs dat ongeveer 0,024 procent van het vermogen van Europese pensioenfondsen in venture capital zit.
Dat percentage is bijna absurd wanneer je het naast de voortdurende discussie zet dat Europa te weinig kapitaal zou hebben.
Het geld is er. De route van Europese spaarders naar snelgroeiende Europese bedrijven werkt alleen bijzonder slecht.
Institutionele mandaten, prudentiële regelgeving, versnipperde markten, verschillende nationale systemen en het risicoprofiel van venture-investeringen spelen daar allemaal een rol in. De Europese Commissie omschrijft het Europese ecosysteem voor venture- en groeikapitaal zelf als versnipperd en onderontwikkeld, met fiscale, juridische en marktbarrières die het moeilijk maken om fondsen op Europese schaal groot te maken.
Dan is er nog het andere uiteinde van het proces.
Grote risico's nemen op jonge bedrijven wordt makkelijker wanneer er voor de winnaars een diepe markt klaarstaat. Amerikaanse technologiebedrijven kunnen uiteindelijk enorme hoeveelheden publiek kapitaal bereiken via markten als Nasdaq.
Europa heeft op dezelfde schaal niets vergelijkbaars. Onze kapitaalmarkten zijn nog altijd verdeeld over landen, rechtsstelsels en verschillende groepen beleggers, terwijl Europese scale-ups relatief vaak uiteindelijk bij een buitenlandse koper of buitenlandse beurs terechtkomen.
De gevolgen gaan verder dan de plek waar een aandeel wordt verhandeld.
Oprichters, werknemers en vroege investeerders die extreem rijk worden door een technologisch succes, worden regelmatig de investeerders van de volgende generatie. Ze brengen geld mee, maar ook ervaring, netwerken en een veel hogere tolerantie voor ideeën die voor de rest van de wereld nog belachelijk klinken. Wanneer de grootste Europese successen telkens in buitenlandse bedrijven of kapitaalmarkten eindigen, vindt een deel van dat proces daar plaats.
Overheidsinkoop vormt nog een zwakke plek.
De Verenigde Staten hebben decennialang instituties gebouwd die technologische ontwikkeling verbinden aan de staat. Het Pentagon, inlichtingendiensten en programma's als DARPA, In-Q-Tel en SBIR kunnen jonge technologiebedrijven iets geven wat soms waardevoller is dan de volgende investeringsronde: serieuze klanten met moeilijke problemen en serieuze budgetten.
Europese overheden besteden ook gigantische bedragen, maar jonge bedrijven komen daar moeilijk tussen. Risicomijding, trage aanbestedingsprocedures, nationale versnippering en systemen die vooral goed werken voor gevestigde leveranciers maken overheden veel minder effectief als eerste grote klant.
Als je naar die verbindingen kijkt, wordt het Europese probleem een stuk minder mysterieus.
We hebben het spaargeld, overheden die enorme bedragen uitgeven, universiteiten die talent afleveren, grote industriebedrijven en een geavanceerde financiële sector. Waar we moeite mee hebben, is die onderdelen zo met elkaar verbinden dat het ene succes het volgende makkelijker maakt.
Dat is het vliegwiel.
Macht heeft stroom nodig
AI voegt daar nog een probleem aan toe, omdat een groot deel ervan uiteindelijk heel fysiek is.
Frontier-modellen draaien in echte gebouwen, op fysieke chips, en verbruiken enorme hoeveelheden elektriciteit. Datacenters hebben netaansluitingen nodig. Die elektriciteitsnetten hebben opwekking, transportcapaciteit en transformatoren nodig. En voor dat alles zijn vergunningen, investeringen en vooral tijd nodig.
Daarom vind ik Mistrals ambitie om richting 2030 ongeveer 1 GW aan Europese capaciteit te bouwen interessanter dan de zoveelste benchmarkscore.
Europa kampt nu al met netcongestie, trage vergunningverlening en de enorme moeilijkheid om snel grote infrastructuur te bouwen. We kunnen in Brussel een AI-strategie aankondigen, maar uiteindelijk moet die strategie ergens veranderen in een datacenter dat daadwerkelijk op een elektriciteitsnet kan worden aangesloten.
Als we dat niet kunnen, eindigen onze technologische ambities uiteindelijk bij transformatoren, hoogspanningslijnen, vergunningen en wachtlijsten.
Er zit bijna iets komisch letterlijks in.
Europa heeft stroom nodig om macht te hebben.
Wat strategische autonomie eigenlijk zou moeten betekenen
Ik denk ook dat de discussie over Europese technologische soevereiniteit hier soms de verkeerde kant op gaat.
Volledige technologische onafhankelijkheid is niet realistisch. Amerika gebruikt ASML-machines. Europa gebruikt Nvidia-GPU's. Taiwan produceert geavanceerde chips. Japan levert kritieke materialen en apparatuur. Moderne technologie bestaat uit ketens die over verschillende continenten lopen.
Alles opnieuw binnen de Europese grenzen willen bouwen zou gigantisch veel geld kosten en er in veel gevallen vooral voor zorgen dat we dingen opnieuw gaan maken die bondgenoten al beter kunnen.
Daarom vind ik een andere vraag veel nuttiger:
Hebben we zelf genoeg capaciteit om te voorkomen dat iemand anders ons effectief kan uitschakelen?
Dat is voor mij strategische autonomie.
Europa heeft voldoende alternatieven, infrastructuur, expertise, energie, industriële capaciteit en onderhandelingsmacht nodig om te voorkomen dat een ander land of bedrijf fundamentele Europese keuzes voor ons kan maken.
We hoeven niet alles te controleren.
We moeten genoeg controleren om zelf te kunnen handelen.
Europa heeft macht gekend
En hier zit een vreemde historische tegenstelling.
Volgens mij twijfelt niemand ter wereld eraan dat Europeanen in het verleden de macht hebben gehad om letterlijk enorme delen van de wereld te veranderen en te beheersen. Op wereldschaal worstelen we nog altijd met de gevolgen van dat historische feit.
Europese rijken veranderden grenzen, instituties, talen, handelsroutes, rechtssystemen en economieën over vrijwel de hele wereld. Je kunt die geschiedenis beoordelen zoals je wilt, maar je kunt moeilijk beweren dat Europeanen historisch niet in staat waren macht te organiseren en uit te oefenen.
Ik denk daarom niet dat Europa simpelweg vergeten is hoe macht werkt.
Een interessantere verklaring is dat het naoorlogse Europa bewust is ontworpen om macht te begrenzen.
Na twee catastrofale wereldoorlogen was daar natuurlijk een uitstekende reden voor. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal begon met het onderbrengen van juist de industrieën die nodig waren om oorlog te voeren in een gezamenlijk systeem. Europese integratie was voor een deel een poging om de oude Europese machtspolitiek moeilijker te maken.
En dat werkte uitzonderlijk goed.
West-Europa werd vreedzaam, welvarend en steeds verder geïntegreerd. Nationale macht werd ingeperkt door regels, instituties, rechtbanken en economische verwevenheid.
De wereld buiten Europa maakte alleen niet dezelfde ontwikkeling door.
De Verenigde Staten gebruiken nog altijd industriepolitiek, overheidsinkoop, exportrestricties en militaire macht om strategische belangen na te streven. China streeft openlijk naar technologische onafhankelijkheid en industriële schaal. Rusland heeft Europa op de meest brute manier eraan herinnerd dat militaire macht nooit verdwenen is.
De instituties die Europa bouwde om macht intern te begrenzen, moeten nu functioneren in een wereld waarin macht extern nog altijd een enorme rol speelt.
Dat vind ik een veel interessantere verklaring dan het idee dat Europeanen cultureel niet meer groot durven denken.
Het antwoord is natuurlijk niet om het imperialisme te romantiseren of het negentiende-eeuwse nationalisme opnieuw uit te vinden. Tussen imperialisme en machteloosheid zit een gigantische ruimte.
Europa moet uitvinden hoe het gezamenlijk kan handelen zonder opnieuw te worden wat de Europese integratie oorspronkelijk probeerde te voorkomen.
Een democratisch Europa kan geloven in internationale samenwerking, mensenrechten, regulering en de rechtsstaat, en tegelijkertijd beschikken over de technologische, industriële, economische, energetische en militaire capaciteit om zijn eigen belangen te verdedigen.
In de wereld waar we naartoe bewegen, vermoed ik dat het wel zal moeten.
Heeft Europa nog agency?
Daarom moest ik de afgelopen tijd ook denken aan een recente column van geopolitiek analist Rob de Wijk in
Trouw.
Zijn stuk ging veel breder dan AI. Hij schreef over klimaat, migratie, Oekraïne en geopolitiek, en over een Europa dat steeds meer het risico loopt toeschouwer te worden in plaats van speler.
Volgens mij zit onder al die onderwerpen uiteindelijk dezelfde vraag:
Heeft Europa nog agency?
Kan Europa gebeurtenissen zelf vormgeven, of kan het steeds vaker alleen reageren op gebeurtenissen die ergens anders worden veroorzaakt?
AI is misschien wel de technologisch zuiverste versie van die vraag.
Als AI zich ontwikkelt tot general-purpose infrastructure zoals elektriciteit, internet of cloud computing, dan gaat Europese controle over AI veel verder dan de vraag of we een goede chatbot hebben. Modellen, compute, datacenters, elektriciteit, cloudinfrastructuur, industriële toepassingen en defensiesystemen worden verschillende lagen van dezelfde technologische stack. Landen en bedrijven die genoeg van die lagen beheersen, krijgen enorme economische en politieke invloed.
Daarom praat ik liever over controle dan dat we op ieder stukje technologie een Europese vlag proberen te plakken.
Niet ieder model hoeft Europees te zijn. Niet iedere GPU hoeft Europees te zijn. Niet iedere cloudprovider hoeft Europees te zijn.
Europa heeft keuzes nodig.
Als één leverancier wegvalt, kunnen we dan verder? Als een bondgenoot minder vriendelijk wordt, hebben we alternatieven? Als een Europees bedrijf strategisch belangrijke technologie ontwikkelt, kunnen we de volgende groeifase dan zelf financieren? Als Europese overheden besluiten dat een bepaalde technologie belangrijk is, kunnen ze die dan ook daadwerkelijk inkopen en inzetten?
Dat is agency in de praktijk.
Kan Europa de machine bouwen?
Ik ben nog niet bereid om te concluderen dat Europa definitief een toeschouwer is geworden.
Europa heeft vrijwel alle middelen om een serieuze technologische macht te blijven. We hebben alleen nog niet bewezen dat we die middelen snel genoeg met elkaar kunnen verbinden en mobiliseren.
Het goede nieuws is dat het probleem inmiddels serieuzer lijkt te worden genomen. AI Factories en Gigafactories richten zich op compute. Europese initiatieven proberen meer institutioneel kapitaal richting tech-scale-ups te krijgen. De Europese Commissie kijkt naar de barrières die voorkomen dat venturefondsen groter en daadwerkelijk pan-Europees worden. Er wordt ook geprobeerd om overheden betere klanten van innovatieve bedrijven te maken.
Of dat allemaal snel genoeg gaat, is een andere vraag.
Maar volgens mij stellen we eindelijk een betere vraag.
We weten al dat Europa kan innoveren. ASML alleen had die discussie jaren geleden al moeten beëindigen.
Kan Europa wat het creëert ook organiseren, financieren en opschalen?
En dan kom ik toch weer even terug bij Mistral. Persoonlijk heb ik Mistral niet nodig om te slagen.
Misschien wordt het een van de grote AI-bedrijven ter wereld. Misschien wordt het ingehaald door iemand anders. Misschien wordt een ander Europees bedrijf waar we nu nog nooit van gehoord hebben uiteindelijk veel belangrijker.
Individuele bedrijven komen en gaan. Wat mij interesseert, is of Europa ze kan blijven produceren.
Kan er na Mistral nog een Mistral ontstaan, en daarna nog één? Kunnen succesvolle Europese AI-bedrijven engineers voortbrengen die vervolgens vijf nieuwe bedrijven beginnen? Worden hun oprichters later zelf investeerders? Kunnen Europese industriebedrijven hun klanten en aandeelhouders worden? Kan Europees pensioen- en verzekeringskapitaal instappen wanneer zulke bedrijven miljarden in plaats van miljoenen nodig hebben? Kunnen overheden helpen markten te creëren voor technologie die ze zelf strategisch belangrijk vinden?
Als Mistral slaagt, wil ik weten of dat succes het makkelijker maakt om het volgende grote Europese technologiebedrijf te bouwen.
Als Mistral faalt, wil ik weten of het ecosysteem eromheen inmiddels sterk genoeg is geworden om een volgende voort te brengen.
Dat is voor mij de test. Want uiteindelijk interesseert het me niet zo veel of Europa zijn eigen versie van OpenAI heeft.
Ik wil weten of Europa in deze nieuwe wereld van AI grote spelers kan creëren, koesteren en opschalen.
We hebben de onderzoekers. We hebben de universiteiten. We hebben het geld. We hebben meer dan 450 miljoen mensen. We hebben bedrijven als ASML, Siemens, SAP, Airbus en Schneider Electric. We hebben overheden die enorme bedragen kunnen uitgeven. We bezitten zelfs delen van de fysieke infrastructuur waar de rest van de technologische wereld niet zonder kan.
De onderdelen zijn er.
Kan Europa de machine bouwen?