Kunstmatige intelligentie is al jaren een vast buzzword binnen de
overheid. Rapporten, pilots en experimenten stapelen zich op, maar de grote doorbraak bleef tot nu toe uit. Dat begint te wringen. Niet omdat
AI faalt, maar omdat de verwachtingen hoger worden. In 2026 moet AI zich bewijzen in de praktijk, niet in presentaties.
Van experiment naar echte inzet van AI
Overheden willen af van losse proefprojecten en toewerken naar grootschalige
AI toepassingen die structureel waarde opleveren. Uit
cijfers van NASCIO blijkt dat 82% van de Amerikaanse staats-CIO’s al generatieve AI gebruikt in het dagelijkse werk. Tegelijkertijd werkt 90% nog aan pilots. Dat laat zien hoe groot de kloof is tussen testen en echt opschalen.
AI wordt daarbij steeds vaker gezien als ondersteuning van ambtenaren, niet als vervanging. Het idee is simpel: AI neemt routinetaken over, zodat mensen zich kunnen richten op complexere en menselijkere onderdelen van hun werk. Dat sluit ook beter aan bij de realiteit binnen de publieke sector, waar vertrouwen en menselijke controle cruciaal blijven.
Waar
AI eerst vooral “interessant” moest zijn, moet het nu meetbaar iets opleveren. Overheden worden afgerekend op kostenbesparing, tijdswinst, lagere werkdruk en betere dienstverlening aan burgers. Veel projecten blijven steken omdat ze te klein zijn opgezet of onvoldoende zijn gekoppeld aan concrete doelen.
Daar komt bij dat investeerders kritischer worden. Onderzoek van MIT laat zien dat 95% van de organisaties die
AI gebruiken nog geen aantoonbaar rendement behaalt. Dat voedt het idee van een mogelijke
AI bubble, al leeft die angst binnen de
overheid minder sterk dan op de beurs. Zelfs als prijzen dalen of leveranciers verdwijnen, is de verwachting dat AI zelf blijft.
Waar AI echt kan doorbreken
De grootste kans op succes ligt bij toepassingen die direct schaalbaar zijn. Denk aan klantenservice met chatbots en voice-AI, fraudebestrijding, verkeersmanagement en administratieve processen zoals vergunningen. Vooral voice-AI wordt gezien als een belangrijke toegangspoort, omdat het zowel digitaal vaardige als minder digitale burgers bedient.